1. Controleer de pellets in het reservoir
Pellets moeten droog en stevig blijven. Wanneer ze langere tijd in het reservoir hebben gezeten, kunnen ze vocht opnemen, zachter worden en uit elkaar vallen. Hierdoor kunnen ze moeilijker worden aangevoerd of ontsteken.
Controleer daarom het volgende:
Voelen de pellets nog hard en stevig aan?
Zit er niet te veel zaagsel in het reservoir?
Hebben de pellets geen vocht opgenomen?
Zijn de pelletzakken droog bewaard?
Stonden de pelletzakken niet rechtstreeks op een koude of vochtige vloer?
Voelen de pellets zacht aan of vallen ze gemakkelijk uit elkaar? Verwijder ze dan en probeer opnieuw met droge pellets van goede kwaliteit.
2. Maak de branderpot volledig schoon
De branderpot moet voor het opstarten correct geplaatst en schoon zijn. Controleer vooral of de kleine luchtopeningen niet verstopt zitten met as of verharde verbrandingsresten.
Let op de volgende punten:
Laat de pelletkachel eerst volledig afkoelen.
Verwijder alle losse as uit de branderpot.
Controleer of de luchtgaatjes volledig vrij zijn.
Verwijder aangekoekte verbrandingsresten.
Plaats de branderpot correct terug.
Reinig alleen onderdelen die volgens de handleiding voor de gebruiker bestemd zijn.
Wanneer er onvoldoende lucht door de branderpot stroomt, kunnen de pellets moeilijk of helemaal niet ontbranden.
3. Controleer of er pellets in de branderpot vallen
Wanneer het reservoir volledig leeg is geweest, kan ook de vijzel leeg zijn. Het duurt dan langer voordat de eerste pellets de branderpot bereiken.
Mogelijke aandachtspunten zijn:
Het pelletreservoir is leeg of onvoldoende gevuld.
De vijzel moet na een lege voorraad opnieuw worden gevuld.
Er zit te veel zaagsel onderaan in het reservoir.
De pellets zijn vochtig en worden moeilijk aangevoerd.
De vijzel maakt een ongewoon geluid.
Er verschijnen helemaal geen pellets in de branderpot.
Sommige pelletkachels hebben een speciale functie om de vijzel te vullen. Raadpleeg hiervoor de handleiding van het toestel.
Start de kachel niet voortdurend opnieuw. Vallen er geen pellets of hoor je een ongewoon geluid? Laat het toestel dan controleren.
4. Controleer de deur, aslade en dichtingen
Een pelletkachel heeft een gecontroleerde luchttoevoer nodig. Daarom moeten de deur en de aslade volledig gesloten zijn.
Controleer of:
De deur volledig en correct gesloten is.
De aslade goed op haar plaats zit.
Er geen as of vuil tussen de dichtingen zit.
De dichtingen nergens losgekomen zijn.
De dichtingen geen zichtbare beschadigingen vertonen.
De branderpot correct geplaatst is.
Een slechte afdichting kan de luchtregeling en de ontsteking beïnvloeden. Laat beschadigde of versleten dichtingen tijdig vervangen.
5. Noteer de foutmelding
Een foutcode vertelt vaak waar het opstartproces werd onderbroken. Noteer daarom de volledige melding voordat je de kachel uitschakelt.
Een mislukte start kan onder meer te maken hebben met:
De ontsteking of gloeibougie.
De pellettoevoer.
Onvoldoende luchttoevoer.
Een vervuilde branderpot.
Een vervuilde kachel.
Een probleem met de rookgasafvoer.
Een sensor of ventilator.
Een deur of aslade die niet correct gesloten is.
Blijft dezelfde foutmelding terugkomen? Probeer dan niet eindeloos opnieuw te starten.
Ruik je rook, zie je rook in de kamer of verloopt de ontsteking ongewoon? Schakel de pelletkachel dan uit, verlucht de ruimte en laat het toestel controleren.
Voorkom problemen tijdens de eerste koude dagen
Wacht niet tot je de pelletkachel dringend nodig hebt. Start het toestel tijdig op en controleer of alles normaal functioneert.
Controleer vóór het stookseizoen:
De ontsteking.
De pellettoevoer.
De ventilatoren.
De temperatuurregeling.
De branderpot.
De aslade.
De deur en dichtingen.
De rookgasafvoer.
Regelmatige reiniging, degelijk onderhoud, droge pellets en een correcte afstelling helpen storingen voorkomen en zorgen ervoor dat de pelletkachel goed blijft werken.